Gewichtsbeheersing

Al bijna 50% van de nederlanders heeft overgewicht (meer dan 8 miljoen) en bijna 2% van de nederlanders heeft ondergewicht (320.000). (Bron: CBS)

Lees meer!

Fitter voelen
Twaalf procent van de huisartsbezoeken hebben te maken met stressklachten, maar veel meer mensen voelen zich vaak moe.
(Bron: CBS)

Lees meer!
Sportvoeding
Sport u om fit te blijven, af te vallen of om een doel te bereiken? Uw voeding speelt altijd een belangrijke rol!

Lees meer!
Overgewicht

In 2005 had ongeveer de helft van de Nederlanders van 18 tot 70 jaar enige mate van overgewicht, ofwel matig overgewicht (gemeten BMI van 25 tot 30) ofwel ernstig overgewicht In 2005 had bijna 12% van de mannen en ruim 12% van de vrouwen van de volwassen Nederlanders (18 tot 70 jaar) had ernstig overgewicht (gemeten BMI van 30 of meer). Bij kinderen en jongeren komt overgewicht ook al vaak voor. In 2002-2004 was het percentage jongens van 4 tot en met 15 jaar met overgewicht gemiddeld 13,5%, bij meisjes was dit 16,7%.

Ondergewicht

In 2005 had ongeveer 2% van de Nederlandse mannen en vrouwen van 18 tot 70 jaar een te laag gewicht (gemeten BMI minder dan 18,5). In 1997 had 13% van de jongens en 12% van de meisjes van 2 tot 6 jaar ondergewicht en respectievelijk 3,6% en 3,3% ernstig ondergewicht. Van de 7- tot 18-jarige jongens heeft 9% ondergewicht en 1,4% ernstig ondergewicht en voor de meisjes zijn deze percentages respectievelijk 9% en 1,7%

Iemand heeft een ongezond gewicht wanneer hij te zwaar of te licht is voor zijn lengte. Door het gewicht van iemand (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meters) kunnen we de 'Body Mass Index' (BMI ) berekenen (ook wel Quetelet Index genoemd). De BMI wordt uitgedrukt in kg/m2 en is een internationaal erkende maat voor deze verhouding tussen gewicht en lengte. De BMI waarde geeft aan of iemand een gezond gewicht heeft dan wel een onder- of overgewicht.
Voor het vaststellen van (ernstig) overgewicht en (ernstig) ondergewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld.

Maar het gewicht alleen zegt niks over de gezondheid. Ook de samenstelling van het lichaam is belangrijk. Spieren wegen zwaarder dan vet, dus een actieve sporter heeft bijna altijd een afwijkende BMI . Het gaat dus om een gezond vetpercentage gecombineerd met een actief spierstelsel. Daarom is het meten van het vetpercentage nodig voor een goede conclusie.

Vetophoping bij de buik brengt over het algemeen meer gezondheidsrisico's met zich mee dan wanneer het vet met name op de heup en dijen zit ('peervorm'). Voor het vaststellen van de gezondheidsrisico's van overgewicht gebruikt men dan ook wel eens de buikomvang in plaats van de BMI. Dit is vooral zinvol bij ouderen van 70 jaar en ouder. Bij hen is, vanwege verandering van lengte en lichaamssamenstelling, de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren. Bij deze leeftijdsgroep verandert namelijk de vetverdeling over het lichaam: de hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt af en de hoeveelheid vet bij de buik neemt toe.

In Nederland zijn jaarlijks circa 40.000 gevallen van hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en kanker en circa 7% van de sterfgevallen te wijten aan overgewicht. Vooral wanneer iemand al vanaf jonge leeftijd overgewicht heeft, zijn de gezondheidsgevolgen op latere leeftijd groot.

(* Bron: RIVM)